PV Den Brink

Get Adobe Flash player

Met bergwandelen ga je doorgaans eerst een berg op, om die vervolgens weer af                                         te dalen; een zinloos gedoe vinden sommige buitenstaanders.
Pittiger wordt het wanneer je eerst een berg op en af gaat, om vervolgens een volgende voor de kiezen te krijgen. Maar het wordt pas echt menens als er nog een derde ligt te wachten; denk bijv. aan de recente tocht bij de Grote St. Bernhard!
Voor niet-ingewijden is dit volslagen krankzinnig.
Telkens als ik aan mijn jaarlijkse bergtocht begin denk ik “waar ben je in ‘s hemelsnaam mee bezig, je zou het beneden “zo heerlijk rustig” kunnen hebben. Dat denk ik echter maar heel even; ik vervang het door “wat is het fijn om genietend van de prachtige bergwereld je sportieve grenzen af te tasten”. In dit licht gezien is het eigenlijk niet leuk om een deel van de klim via een lift te doen.
Daarom werd in het verleden alleen in special gevallen, zoals bijvoorbeeld met de allereerste tocht naar de Gemmipas (1987), hiervan gebruik gemaakt.
Klimmen is simpel gezegd het ene been voor het andere zetten en vooral niet te veel naar boven kijken; dat laatste kan namelijk op den duur demoraliserend werken. Beter is af en toe eens achterom te kijken, om dan met genoegen te kunnen constateren dat je in korte tijd weer heel wat hoger gekomen bent. Van groot belang is het om in je eigen tempo naar boven te gaan en je niet andermans ritme te laten opdringen.
Een berg waar ik van te voren nogal tegenop keek was de Niesen bij Aeschi; zo’n puntige berg ligt daar uitdagend in al zijn glorie, met een wolkje rond zijn top. Je denkt dat hij je toeschreeuwt “kom maar op”; uiteindelijk viel het in 1999 allemaal best mee.
Tijdens het klimmen realiseer je je dat de dagelijkse fietstraining nog steeds zijn vruchten afwerpt; zo’n 400 m per uur omhoog is nog steeds goed haalbaar. Het maakt overigens wel wat uit hoe de terrein-omstandigheden zijn; het leukst vind ik een helling waarbij je van het ene rotsblok op het andere kunt stappen. Het is dan net of je een trap oploopt.
Een ander aspect is het plotseling opdoemen van situaties, waarbij je je toch even achter de oren krabt. Zo herinner ik me nog goed het laatste stuk naar de top van de Säntis in 1992 en uiteraard de recente passage  van een stijle sneeuwhelling op weg naar de Col des Chevaux ( dat Tjaart daar overheen is gekomen!). Echt moeilijk wordt het wanneer je op grote hoogte door zachte sneeuw naar boven moet; Evert en ik hebben dat onder andere meegemaakt bij de voorbereiding van de tocht naar de Cabane de Bertol (3311 m) in 1995 en die naar de Jazzilücke (3081 m) in 1997. Als je bij elke pas ongeveer een halve meter wegzakt, sta je na enkele passen al naar lucht te happen! Mede doordat je het zigzag-pad niet ziet en dus onder een hoek van 45 graden omhoog gaat lopen. Ook de tocht naar de Britanniahütte (3030 m) in juli 1997 was geen kleinigheid. Heel jammer dat de Col de Bertol in augustus 1995 voor de groep onbereikbaar bleek vanwege te veel sneeuw.
Dalen is een heel ander verhaal; dat is meer een kwestie van behendigheid en durf, alsmede het bezit van een paar goed werkende knieën.  Ook enige kennis van mechanica is niet verkeerd; houd je zwaartepunt zoveel mogelijk recht boven je steunpunt. Ook is het van belang te weten op wat voor schuine helling je met goede bergschoenen nog niet wegglijdt; dat die behoorlijk stijl kan zijn leerde ik al bij Bever-sport. Tenslotte is het nuttig dat je het principe kent van het “kanten” (uit de skisport). Wat goede knieën betekenen heb ik een aantal jaren geleden aan den lijve ondervonden, toen ik met een knieblessure zat. Bergop ging alles prima, maar bergaf voelde ik me als een “oude vent”.
De mooiste herinneringen heb ik aan de afdalingen van sneeuwvelden, zoals die van de eerder genoemde Cabane de Bertol bij Evolène en de Britanniahütte boven Saas-Fee. Ook een afdaling zoals die van de Col d’Arpette van dit jaar vond ik schitterend. Het geeft gewoon een kick om mensen die wel heel erg behoedzaam aan een afdaling bezig zijn, voorbij te stuiven. Wat wel een punt is, is dat het vaak voor komt dat een afdaling op het laatst gaat vervelen; er lijkt soms geen eind aan te komen. Een voorbeeld daarvan was de afdaling van de Piz Umbrail vorig jaar in het Unterengadin; als er dan een postbus naar beneden rijdt, is dat een gevaarlijke verleiding!
Tot slot: wat jammer dat ik al 54 was voordat het bergwandelen via de PV mogelijk werd; maar ja, beter laat dan nooit!

Rinus Voeten