PV Den Brink

Get Adobe Flash player

De tweede bergwandeltocht in 1988 beloofde spannend te warden. De uitgebreide reisbeschrijving van Evert van Ravenzwaaij bevatte de waarschuwing: "Ga tijdens de tochten niet forceren. Als men rust moet de hartslag na 4 minuten weer normaal zijn. Zo niet dan overleg plegen en eventueel de volgende dag niet meer starten". Alleen deze tekst al deed onze harten sneller kloppen.
De heenreis verliep vlot, de Zwitserse grens werd zonder veel oponthoud gepasseerd. Helaas ontdekte Marcel Klein-Gebbink dat hij al zijn papieren en geld in een restaurant bij de Zwitserse grens had laten liggen. Een snelle taxi rit bracht Marcel en Evert via het restaurant weer bij de bus en gelukkig bleken ze alles teruggevonden te hebben!
De tweede dag zou een rustige dag worden met een 5 1/2 uur durende wandeling van Lac Tseuzier naar Lenk. Een pret-wandelingetje.  Echter de bus bleek niet op de plek te kunnen komen vanwaar we zouden vertrekken.  De Zwitserse Postbus kon dit wel maar onze bus was te breed. De voorlopers hadden zich hierop verkeken.  Dit betekende twee uur extra wandelen maar het weer was goed dus gingen we opgewekt op pad. DAAR WE NIET AL TE VROEG VERTROKKEN WAREN, KWAMEN WE PAS OM HALF EEN AAN OP HET EIGENLIJKE VERTREKPUNT.
Na een korte stop bij het restaurant Tseuzier om wat te drinken en te eten en de watervoorraad weer op peil te brengen startten we dus voor de eigenlijke tocht richting Rawilpas (2429 m). Dit bleek een pittige klim te zijn met een tunneldoorgang aan het einde. Na een lange tocht over een hoogvlakte zagen we in de verte al Iffigenalp met restaurant waar we weer wat te drinken konden krijgen. De weg ernaar toe bleek een zeer spectaculaire afdaling te zijn met vele ravijnen naast een smal in de rotsen uitgehakt pad.
Onze snelheid bleek niet hoog te zijn want we kwamen pas om 19.30 uur in het restaurant aan. Om niet al te laat op de camping te arriveren vertrokken Everline en Gerrit Mensink, Piet en dochter Enne van Ommeren en Hanny en Peter Couwenhoven na alleen wat gedronken te hebben gezamenlijk voor het laatste traject. Vanaf het restaurant was het nog een flink eind naar de camping bij hotel restaurant Simmenfälle. Het pad liep door een bos langs stuivende watervallen. Het begon echter steeds donkerder te worden. In de ganzenpas bleven we het dalende pad in het bos volgen. Wie voorop liep waarschuwende met: "tak... gat. .... stronk ... .. boom enz. We hoopten dat de bus ons tegemoet zou komen. Hanny zag wel telkens de koplampen van de bus maar dat bleek steeds de verlichting van een schuurtje of huis te zijn. Door de duisternis moeten we het bord met de aanduiding: "Simmenfälle" gemist hebben. Wel werd Enne, de lichtste, steeds opgetild bij een richtingbordje om bij het schijnsel van een lucifer snel het opschrift te lezen. Helaas was zij nachtblind. Nu hebben wij dan ook altijd een zaklantaarn in onze rugzak.
Uiteraard begonnen de wandelaars ook de vermoeidheid te voelen en werd geopperd maar een taxi te nemen, of een bus of te liften. Maar ja in de wijde omtrek was geen spoor van een auto te bekennen. Toen binnen gelopen bij een restaurantje (dit bleek bij Lenk te zijn) waar de stoelen al op de tafels gezet waren en daar kregen we te horen dat we nog vier kilometer langs de beek moesten lopen.
Voor het kleine gezelschap was dit deel over asfalt nog een uitputtende slijtageslag. Maar met de blik op oneindig en het verstand op nul bereikten we toch de camping. Tegen half elf kwamen onze ongeruste reisgenoten ons tegemoet. Blij dat we toch arriveerden.
Op de camping was door de attente leiding ijlings een Massenlager besproken zodat we niet ons tentje op hoefden te zetten. Het kampeerveldje was doorweekt door de regen van de voorgaande dagen. Het vinden van een plaatsje in het Massenlager viel niet mee omdat we er met z'n 28-en wilden gaan slapen terwijl er plek was voor 15 man/vrouw. De vermoeidheid zorgde ervoor dat we niet al te kritisch waren en ook het avondeten werd overgeslagen. De volgende ochtend werd pas duidelijk waar we hadden geslapen. De luchtbedden lagen tot onder de wasbakken, tussen de luchtbedden stonden vele paren modderige bergschoenen en de lucht was afgrijselijk. Ondanks een snurker werd er prima geslapen en smaakte het ontbijt fantastisch. Piet en dochter Enne zijn nooit meer meegegaan.