PV Den Brink

Get Adobe Flash player

Ook ik heb zo mijn herinneringen.
In de tijd dat ik in Zwitserland woonde (1971) en bij het Inselspital in Bern op de
röntgenafdeling werkte, ontmoette ik veel collega's die in het weekeinde de bergen in trokken, 's zomers zowel als 's winters. Ieder weekeinde kreeg je een prikkelend gevoel dat later als het bergvirus bekend zou worden. Al snel werd ik dan ook meegetrokken de bergen in voor voor steeds langere tochten.
Vanuit het parkje achter het Bundeshaus in Bern kon je bij mooi weer de majestueuze wand van de Alpen in volle lengte zien liggen. De toppen in allerlei kleurschakeringen afhankelijk van het licht en de stand van de zon. Achter een kop koffie op een terrasje bij Spatz op de Bärenplatz beraamden wij vaak wandelplannen. De Zwitsers leerden ons (Evert kwam elk weekeinde vanuit St. Louis bij Basel, waar hij voor de militaire dienstplicht zat) de fijne kneepjes van het bergwandelen. De eerste grote tocht en meteen de tocht die de grootste indruk maakte was de klim van Kandersteg, langs de Oeschinensee naar Griesalp via Hohtürli en de Blümlisalphutte (2778 m). Later maakten wij met de groep deze tocht, maar dan in omgekeerde richting.  Een van de Zwitsers die met ons mee liepen, kon halverwege door vermoeidheid zijn rugzak niet meer dragen! Moest Evert er bij nemen.
Jaren later (1986) toen de kinderen wat groter waren, gingen wij de eerste tochten voor de PV organiseren. Ik herinner mij nog goed de eerste keer dat wij nogal ver terug moesten met bus, trein en weer bus. Charlotte, 11 jaar en Roderick, 9 jaar, zouden die dag zelf met de bus naar een naburig zwembad gaan vanuit het hotel. Dit was met hotelpersoneel en buschauffeur geregeld, aangezien de twee kinderen nog geen duits beheersten. Tot 4 uur zouden ze in dat zwembad blijven en dan weer terug. Wij dus onderweg over de Seefinenfurke vanuit Mürren. Toen wij vrij laat in Griesalp aankwamen en naar het hotel belden om te kijken of alles goed gelopen was, kreeg ik een snikkend Charlotje aan de lijn, die vertelde dat haar broertje ergens met buikpijn in een weiland lag en niet meer verder wilde lopen.
Later bleek dat de buikpijn het resultaat was van overmatig veel ijsjes en erg koud zwemwater. Ze hadden de bus gemist en waren de 4 km toen maar gaan lopen. Charlotte kreeg het bevel onmiddelijk terug te gaan en Roderick mee te lokken door de belofte van Coca Cola en carte blanche voor een flink bord frites met biefstuk in het restaurant. Verder moest ze hem in een warm bad stoppen. Einde gesprek.
Drie uur later kwamen we terug en troffen in het restaurant twee uiterst voldane kinderen die zich te goed hadden gedaan aan allerlei lekkere dingen à la carte, kortom een driegangen­ diner.
Een andere ietwat riskante onderneming met de kinderen was de voorbereiding van de tocht vanuit Leukerbad naar Kippel via de Restipas. Na een uur bleek de route tegen een loodrechte wand aan te gaan, waar men twee ladders tegenaan geschroefd had van ca. 20 meter lengte elk. Wat nu? We besloten het te wagen met eerst Charlotte, dan Marijke, dan Roderick en dan Evert. De instructie luidde: steeds 3 van de vier ledematen aan of op de ladder houden en dan het vierde verplaatsen en niet bang zijn. Als er iets gebeurt vangt pappa je wel op. Zo gezegd zo gedaan, we zijn in Kippel aangekomen in het Lötschental.  Het heeft wel twee walkmans gekost die we beloofd hadden. Met de groep hebben we toen maar de lift genomen. Evert houdt zo enorm van bergtochten maken dat hij eens in een klap van Altea bij Benidorm in Spanje naar Zwitserland gereden is (1700 km) om de volgende morgen met de groep mee te kunnen. Toen we 's avonds laat aankwamen regende het zo erg dat we het dorpje bijna niet gevonden hadden bij de Säntis. Ik kwam 's morgens als een strijkplank uit bed na die lange reis, maar Evert was toen al onderweg. Hij kwam die dag moeilijk omhoog tegen de bergen.

Marijke van Ravenzwaaij